Schimmels en gisten zijn eukaryote micro organismen. Oftewel, in het bezit van een celkern, mitochondria en een endoplasmatisch reticulum. Daarin onderscheiden schimmels en gisten zich van bacterien. Door de afwezigheid van bladgroen onderscheiden ze zich weer van planten, waardoor het voedingspatroon ook afwijkt. Net als dieren zijn ze heterotroof, ze hebben hun organische bouwstenen nodig om te groeien en betrekken daarbij ook andere afgestorven organismen. Door de afwezigheid van een celwand onderscheiden ze zich weer van dieren.
Er zijn duizenden verschillende soorten schimmels, allemaal hebben ze een goede voedingsbodem nodig om te kunnen groeien. De ene schimmel haalt zijn bouwstenen uit dode bladeren, de ander uit voedingsmiddelen, hout, dieren of mensen.
De schimmels die bij mensen voorkomen gebruiken onder andere keratine als voedingsstof. Die schimmels worden ook wel dermatofyten genoemd.
Schimmels die suiker of vet als voedingsbron gebruiken worden gisten genoemd. Gisten worden gebruikt bij de productie van brood en bier, maar er zijn ook soorten gisten die op of in de mens groeien. Voorbeelden daarvan zijn Candida en Pityrosporum. Deze gistsoorten zijn in staat om infecties van de huid en slijmvliezen te veroorzaken.
Voor mensen met een verminderde weerstand kunnen bepaalde schimmels bijzonder gevaarlijk zijn. Een agressieve schimmels zoals Aspergillus kan, bij mensen met weinig weerstand, infecties veroorzaken in de luchtwegen
Over het algemeen hebben mensen geen last van schimmels, pas op het moment dat de weerstand minder wordt slaan de schimmels toe.
De schimmels op of in ons lichaam hebben een groeivorm en een voortplantingsvorm, maar die zijn dermate klein dat deze met het blote oog niet waarneembaar zijn. De gevolgen van de groei zijn echter wel waarneembaar, dit is te zien, te ruiken en te voelen. Bijvoorbeeld een geïrriteerde huid, een beslagen mond of witte vloed. De sporen kunnen ook andere mensen besmetten. |